❓ Stadsboulevard: hoeveel ligt er eigenlijk nog écht open?

6 oktober 2026

❓ Stadsboulevard: hoeveel ligt er eigenlijk nog écht open?

❓ Stadsboulevard: hoeveel ligt er eigenlijk nog écht open?

Na de gemeenteraad blijf ik met een ongemakkelijk gevoel zitten over de geplande Stadsboulevard tussen N35 en N43.

Ik stelde concrete vragen. Eén zaak werd duidelijk uitgelegd: de oorspronkelijke studie onderzoekt de milieueffecten van de alternatieven, terwijl een bijkomende studie hun technische haalbaarheid onderzoekt, vooral ter hoogte van de spoorlijn.

Prima. Dat onderscheid is duidelijk.

Maar mijn belangrijkste vraag blijft:

👉 Wordt nog onderzocht óf die nieuwe verbinding er moet komen? Of onderzoeken we alleen nog wáár ze moet komen?

Het antwoord van de schepen was dat minstens vier tracéalternatieven worden onderzocht.

Maar laat ons ook eens naar de voorgeschiedenis kijken.

De Stadsboulevard tussen Gaversesteenweg en Gentsesteenweg staat al sinds 2018 in het mobiliteitsplan. De stad heeft vandaag zelfs al een vrij concreet toekomstbeeld: twee rijstroken, een middenberm, fiets- en voetpaden en een ondergrondse kruising met de Poelstraat.

En precies in die omgeving woedt al jaren een stevig mobiliteitsdebat.

In de Negenstratenwijk tekenden 918 mensen uit 550 gezinnen een open brief/petitie rond de verkeersmaatregelen in de Poelstraat. Later kwamen een honderdtal bewoners naar de gemeenteraad om hun ongenoegen te uiten. Uiteindelijk namen zelfs de wijkambassadeurs collectief ontslag omdat ze vonden dat onvoldoende naar hen werd geluisterd.

En nu moeten we aannemen dat alle alternatieven voor de Stadsboulevard nog onbevangen naast elkaar worden gelegd.

Ik stel daar vragen bij.

Niet omdat ik vandaag beweer dat het onderzoek een schijnvertoning is. Daarvoor moet je bewijzen hebben.

Maar wel omdat een stad die al jarenlang één bepaalde verbinding in haar mobiliteitsbeleid uitwerkt, daar een concreet toekomstbeeld voor heeft en ondertussen andere mobiliteitsmaatregelen in dezelfde omgeving uitvoert, heel duidelijk moet uitleggen hoe open het onderzoek naar alternatieven nog werkelijk is.

Ik vroeg de schepen daarom ook of de resultaten van het onderzoek de huidige beleidskeuze nog fundamenteel kunnen bijsturen.

Het antwoord?

“Het is op dit moment heel voorbarig om daarover uitspraken te doen.”

Net dát antwoord stelt mij niet gerust.

Ik vroeg immers niet wat de studie zal besluiten.

Ik vroeg of ze de gemaakte keuze nog kan veranderen.

Het oorspronkelijke bestek zegt zelf dat het onderzoek de doelstellingen en keuzes moet kunnen “bevestigen, verantwoorden en/of bijsturen.”

Dus stel ik de vraag nog één keer, heel eenvoudig:

Als uit het onderzoek blijkt dat een nieuwe Stadsboulevard niet de beste oplossing is, kan de stad er dan nog van afstappen?

Op die vraag heb ik nog altijd geen duidelijk antwoord gekregen.

En zolang dat antwoord er niet is, blijf ik mij afvragen:

onderzoeken we nog alle redelijke oplossingen — of zoeken we vooral nog het beste tracé voor een oplossing die eigenlijk al jaren op tafel ligt?

____

Luister
https://deinze.notubiz.be/vergadering/1543454 vanaf 49.35

De vragen:

RUP Stadsboulevard: Alternatieven?
De stad werkt momenteel aan het RUP Stadsboulevard en het bijhorende plan-MER met geïntegreerde MOBER. Voor de opmaak van dat plan-MER werd eind 2025 een opdracht gegund voor 123.830 euro excl. btw. Het oorspronkelijke bestek is daarover bijzonder duidelijk. Het plan-MER moet niet alleen de milieueffecten onderzoeken, maar ook de redelijke alternatieven beschrijven en onderbouwd beoordelen.

Meer nog: op pagina 22 van het bestek staat expliciet dat minstens vier alternatieven onderzocht moeten worden:

• een tracé door het stedelijk weefsel;
• een tracé op de rand van het stedelijk weefsel;
• een tracé door de open ruimte;
• een alternatief via bestaande wegen.

Het bestek voorziet bovendien dat bijkomende redelijke alternatieven die tijdens het proces naar voren komen, eveneens onderzocht worden.
Op 9 juni besliste het college echter om binnen dezelfde opdracht bijkomend technisch onderzoek te laten uitvoeren.
Volgens het college is dit “noodzakelijk” om de redelijke alternatieven technisch te beoordelen. Kostprijs van deze bijkomende studie: 33.965 euro excl. btw of 41.097,65 euro incl. btw. Daarmee komt de totale kostprijs van beide opdrachten voorlopig op 157.795 euro excl. btw.

Ik heb daar vragen bij.
In het oorspronkelijke bestek staat immers uitdrukkelijk dat het plan-MER met geïntegreerde MOBER stap voor stap informatie moet aanreiken om de doelstellingen en keuzes van het RUP te “bevestigen, te verantwoorden en/of bij te sturen”. Tegelijk lijkt die ruimte voor bijsturing steeds kleiner. In het ontwerp-Beleidsplan Ruimte wordt de missing link tussen N35 en N43 immers al duidelijk als onderdeel van het gewenste toekomstbeeld opgenomen. Ook de stad omschrijft de doelstelling van het RUP zelf bijzonder stellig: het RUP “werkt de missing link tussen N35 en N43 weg door een nieuwe verbinding, de stadsboulevard.” Het bestek stelt zelfs dat binnen het plangebied uiteindelijk één variant wordt gekozen waarvoor een herbestemming wordt doorgevoerd. Een plan-MER hoort redelijke alternatieven te beoordelen. Volgens de Vlaamse MER-methodiek gaat het daarbij om andere manieren om dezelfde doelstellingen te realiseren; redelijke alternatieven horen vervolgens gelijkwaardig onderzocht te worden.

Daarom rijst voor mij een fundamentele vraag: onderzoeken we nog welke oplossing het meest geschikt is om de vooropgestelde mobiliteitsdoelstellingen te bereiken, of onderzoeken we vooral welk tracé het best past bij een missing link waarvan de realisatie beleidsmatig al als uitgangspunt wordt genomen?

Vraag(+eventuele deelvragen):
1. Waarom volstaat de oorspronkelijke opdracht van 123.830 euro excl. btw niet om het in het bestek uitdrukkelijk voorziene alternatievenonderzoek uit te voeren, en waarom blijkt daarvoor nu een bijkomend technisch onderzoek van 33.965 euro excl. btw noodzakelijk?

2. Wat is de precieze inhoudelijke scheidingslijn tussen het alternatievenonderzoek dat reeds deel uitmaakt van de oorspronkelijke MER/MOBER-opdracht en het bijkomende technische alternatievenonderzoek? Welke prestaties uit de bijkomende opdracht waren niet voorzien in het oorspronkelijke bestek?

3. Wat ligt vandaag inhoudelijk nog werkelijk open? Staat ook een oplossing waarbij geen nieuwe wegverbinding tussen N35 en N43 wordt aangelegd nog als redelijk alternatief ter discussie, of gaat het verdere onderzoek uitsluitend nog over verschillende tracés en uitvoeringsvarianten van die nieuwe verbinding?

4. Hoe verhoudt een open alternatievenonderzoek zich tot het ontwerp-Beleidsplan Ruimte, waarin de missing link reeds duidelijk als onderdeel van het gewenste toekomstbeeld wordt opgenomen, en tot de omschrijving in het bestek dat het RUP deze missing link zal wegwerken door een nieuwe stadsboulevard?

5. Wie bepaalt uiteindelijk, en op basis van welke objectieve criteria, welke alternatieven na het technische vooronderzoek afvallen en welke alternatieven verder in het plan-MER worden onderzocht?

6. Kan het college bevestigen dat de resultaten van het MER en het alternatievenonderzoek de huidige beleidskeuze nog daadwerkelijk kunnen bijsturen, zoals het oorspronkelijke bestek zelf bepaalt, en dat dus niet alleen het tracé maar – indien het onderzoek daartoe aanleiding geeft – ook de vooropgestelde oplossing opnieuw beoordeeld kan worden?

→