Ontwerp Beleidsplan Ruimte

24 juni 2026

Ontwerp Beleidsplan Ruimte

Vandaag ligt misschien wel het belangrijkste beleidsdocument van deze legislatuur voor.

Niet omdat het zoveel pagina’s telt (meer dan 1600 pagina’s!). Maar omdat de keuzes die we vandaag maken, de ruimtelijke ontwikkeling van Deinze voor de komende twintig à
dertig jaar zullen bepalen.

Waar bouwen we nog?
Welke open ruimte beschermen we?
Hoe verplaatsen we ons?
Waar krijgen bedrijven nog kansen?
En vooral: in welke stad en in welke dorpen zullen onze kinderen later wonen?

Dat maakt dit dossier fundamenteel anders dan een klassiek agendapunt.Laat mij daarom
beginnen met een oprecht woord van waardering.

Aan de stadsdiensten. Aan het studiebureau. Aan iedereen die hier maanden, misschien
zelfs jaren aan gewerkt heeft.

Wie dit ontwerp beleidsplan leest, merkt onmiddellijk dat er veel denkwerk in zit. Het spreekt ambitie uit. Men kijkt verder dan morgen. Men probeert wonen, economie, klimaat, mobiliteit en open ruimte samen te bekijken.

Dat verdient respect.

Maar precies daarom moeten wij vandaag ook kritisch durven zijn.Een beleidsplan ruimte is geen bundel goede bedoelingen. Het is een kompas voor de komende decennia.

En hoe langer de impact van een beleidsplan, hoe sterker de onderbouwing moet zijn.

Dat is de bril waarmee wij dit dossier gelezen hebben.

Niet met de vraag: "Zijn wij voor of tegen dit beleidsplan?"

Maar met een andere vraag.

Zijn de keuzes die vandaag gemaakt worden voldoende onderbouwd om de toekomst van Deinze voor tientallen jaren vast te leggen?

Dat is voor ons de kern van dit debat.

Een eerste bedenking: wonen

Laat mij meteen duidelijk zijn. Niemand ontkent dat Deinze groeit.
Dat is ook logisch. Deinze is aantrekkelijk om te wonen.
Dat is een sterkte van onze stad.

En uiteraard moeten jonge gezinnen, alleenstaanden en senioren hier ook in de toekomst een betaalbare woning kunnen vinden.
Daarover verschillen we niet van mening.

Ook het onderzoeksrapport over de woonbehoefte bevat heel wat degelijk studiewerk.

Maar toch blijven wij na het lezen met een aantal fundamentele vragen zitten.

Niet omdat wij de cijfers willen betwisten. Wel omdat wij vandaag het totaalbeeld missen.

Tijdens de commissie heb ik de vraag gesteld hoeveel bijkomende woningen dit beleidsplan uiteindelijk mogelijk maakt.

En eigenlijk heb ik daar geen eenvoudig antwoord op gekregen. Dat is jammer.

Want uiteindelijk is dat toch één van de belangrijkste vragen die je bij een beleidsplan ruimte mag stellen.

Niet alleen: hoeveel woningen hebben we nodig?
⁠Maar ook: hoeveel woningen maken we uiteindelijk mogelijk?

Dat is niet noodzakelijk hetzelfde.
Het woonbehoefterapport bekijkt de woonbehoefte. Het berekent een theoretisch en een realistisch woonaanbod.
Dat is waardevol. Maar wanneer ik daarnaast ook de beleidskaders lees, zie ik nog veel meer mogelijkheden.
Verdichting. Reconversie. Projectgebieden. Herontwikkeling. Functiewijzigingen.
En natuurlijk ook de projecten die vandaag al vergund zijn of volop in uitvoering zijn.

Voor ons blijft vandaag onvoldoende duidelijk hoe al die puzzelstukken precies in elkaar
passen.

Misschien zijn ze allemaal verwerkt. ⁠Misschien gedeeltelijk. Misschien niet.
Dat is net het punt. ⁠Wij vragen geen hogere cijfers. Wij vragen ook geen lagere cijfers. Wij vragen vooral duidelijkheid.

Geef de gemeenteraad één helder overzicht!
Hoeveel bijkomende woningen maakt dit beleidsplan uiteindelijk mogelijk?
Via welke instrumenten? En hoe verhoudt zich dat tot de woonbehoefte waarop dit plan gebaseerd is?
Dat is volgens mij één van de fundamenten van dit hele beleidsplan.

Hetzelfde gevoel had ik bij de open ruimte.

Het is positief dat het beleidsplan veel zorgvuldiger omspringt met open ruimte dan
vroeger.

Dat heel wat woonuitbreidingsgebieden niet langer automatisch als toekomstige bouwgrond worden beschouwd, is een goede evolutie.

Open ruimte heeft vandaag een andere waarde gekregen.

Voor natuur. Voor landbouw. Voor water. Voor klimaat. Voor de leefkwaliteit van onze inwoners.
Dat ondersteunen wij. Maar tegelijk blijven op verschillende plaatsen ook ontwikkelingsmogelijkheden bestaan.

En opnieuw mis ik soms de echte beleidskeuze.

Waar zeggen we vandaag ondubbelzinnig: hier bouwen we niet meer.
Want een beleidsplan ruimte moet volgens mij niet alleen tonen waar ontwikkeling
mogelijk is.
Het moet minstens even duidelijk aangeven waar we bewust kiezen om géén bijkomende
ruimte meer aan te snijden.
Die duidelijkheid mis ik vandaag nog te vaak. Laat mij dat illustreren met één voorbeeld.

Astene.

Enerzijds lezen we dat Astene de voorbije jaren al een sterke woonontwikkeling heeft
gekend en dat verdere grootschalige verdichting niet langer wenselijk is.
Dat is een duidelijke beleidskeuze. Maar wanneer je verder leest, blijven tegelijk verschillende ontwikkelingsmogelijkheden open.
De omgeving Snoekstraat-Krommestraat. De Emiel Clauslaan. Nieuwe woontypologieën. Bijkomende ontwikkeling binnen de kern.

Ik stel vast dat beide boodschappen moeilijk met elkaar te verzoenen zijn. Ofwel zeggen we dat Astene voldoende gegroeid is en dat we nu vooral het dorpse karakter willen beschermen.
Ofwel blijft Astene een belangrijke ontwikkelingspool binnen het stedelijk gebied.
Maar vandaag lees ik eigenlijk beide tegelijk. En precies dat zorgt voor onduidelijkheid.

Collega's,

Dat brengt mij vanzelf bij een tweede grote vraag.


Want elke bijkomende woning betekent ook bijkomende verplaatsingen. En daarmee komen we volgens mij bij misschien wel de belangrijkste discussie van dit hele beleidsplan.

De mobiliteit. En de stadsboulevard!

En precies daar heb ik mijn grootste vragen bij dit beleidsplan.
Niet omdat ik tegen een stadsboulevard ben. Niet omdat ik de missing link op voorhand wil afschrijven. Misschien zal later blijken dat dit de juiste oplossing is.
Maar vandaag weten we dat eenvoudigweg nog niet. ⁠En dat is voor mij het fundamentele verschil.


⁠De stadsboulevard wordt de spil van het hele beleidsplan.

Tijdens het lezen viel mij iets op. De stadsboulevard is veel meer dan een nieuwe verkeersas. Ze krijgt bijna alle grote opdrachten van dit beleidsplan toegewezen. Ze moet het doorgaand verkeer uit het centrum halen. Ze moet een autoluwe binnenstad mogelijk maken. Ze moet nieuwe
woonontwikkelingen ontsluiten. Ze moet de stadspoorten met elkaar verbinden. Ze moet ruimte bieden voor een groene as. Voor een blauwe as. Voor waterbuffering. Voor leefkwaliteit. Voor economische bereikbaarheid. Voor zachte mobiliteit.

Eigenlijk wordt de stadsboulevard de ruggengraat waarop een groot deel van het
beleidsplan steunt. En precies daarom moeten we daar bijzonder voorzichtig mee omgaan.

Hoe belangrijker een project wordt, hoe sterker de onderbouwing moet zijn.

Eén eenvoudige vraag: ⁠Wat als die stadsboulevard er niet komt? Of niet volledig.

Blijft dit beleidsplan dan nog overeind?
Of moeten we dan opnieuw beginnen nadenken over: de woonontwikkelingen, de mobiliteit, de stadspoorten, de verkeersafwikkeling, de leefbaarheid van de stad? 

Dat is volgens mij de vraag waarop dit beleidsplan vandaag nog onvoldoende antwoord geeft.

De missing link

En daarmee kom ik bij de missing link. Ook daar wil ik zeer voorzichtig zijn. Omdat ik
eenvoudigweg nog niet over voldoende informatie beschik om daar vandaag een definitief oordeel over te vellen.
Wat ik wél vaststel, is dat de missing link op verschillende plaatsen al sterk verweven
zit in het toekomstbeeld van dit beleidsplan.
En dat verbaast mij. Want tegelijk weten we allemaal dat vandaag nog heel wat fundamentele vragen openstaan.

Wat wordt het definitieve tracé? Wat wordt de kostprijs? Welke impact heeft dit op de omliggende woonwijken? Hoe verloopt de verkeersafwikkeling aan Driespoort? Wat gebeurt er met de Martinusrotonde? Welke alternatieven zijn onderzocht? Waarom zijn
bepaalde alternatieven afgevallen?
En vooral... Waar is de integrale mobiliteitsstudie die aantoont dat dit inderdaad de beste oplossing is?
De verwijzing naar het oorspronkelijke mobiliteitsplan van jaren geleden is compleet achterhaald. Dit ging uit van een veel mindere bevolkingsaangroei en andere randvoorwaarden. Voor mij ontbreekt vandaag een realistische update.

De volgorde klopt voor mij niet.
Normaal zou je verwachten: Eerst onderzoek. Dan alternatieven. Dan een maatschappelijke afweging. Dan een politieke keuze. En pas daarna de ruimtelijke vertaling.
Vandaag krijg ik soms de indruk dat de volgorde omgekeerd wordt.
Dat de ruimtelijke visie al vertrekt van de missing link. En dat de verdere studies daarna moeten aantonen hoe die gerealiseerd kan worden.

En precies daarom had ik gehoopt dat de opmerkingen van de deputatie van Oost-Vlaanderen op dit punt sterker zouden zijn meegenomen. Want ook daar werd gewezen op het belang van een degelijke onderbouwing.

De auto is niet alleen een probleem

Nog iets viel mij op. Doorheen het beleidsplan krijg je soms de indruk dat de auto vooral een probleem is dat moet worden teruggedrongen.
Ik begrijp uiteraard de ambitie. Meer ruimte voor fietsers. Meer ruimte voor voetgangers. Meer groen. Meer leefkwaliteit.
Daar kan niemand tegen zijn. Maar tegelijk staat helemaal vooraan in het beleidsplan ook iets anders. Dat Deinze vandaag goed bereikbaar is. En misschien moeten we dat niet alleen als een probleem bekijken.
Misschien is dat ook één van onze sterktes. Een troef. Voor gezinnen. Voor handelaars. Voor bedrijven. Voor bezoekers. Voor zorg. Voor mensen uit de deelgemeenten.
Voor werknemers die elke dag naar Gent, Kortrijk of Waregem rijden.
De realiteit is nu eenmaal dat veel mensen hun dagelijkse leven niet organiseren vanuit één verplaatsing.

Ze brengen kinderen naar school. Naar de kinderopvang. Ze gaan werken. Doen boodschappen. Bezoeken familie. Gaan sporten.
Voor heel veel inwoners blijft de auto geen luxe. Maar een noodzakelijke schakel in hun dagelijkse leven. Daar moeten we volgens mij eerlijk over blijven.

Een goed mobiliteitsbeleid vertrekt niet vanuit de vraag hoe we auto's wegkrijgen.
Maar vanuit de vraag hoe mensen zich vandaag werkelijk verplaatsen.

En dan wil ik afsluiten met één bedenking. Een autoluwe stadskern is op zich een mooi streven. Maar de vraag is niet alleen hoe we verkeer uit het centrum halen.

De vraag is ook: Waar gaat dat verkeer dan naartoe?

Als de leefkwaliteit in de binnenstad verbetert... maar de verkeersdruk verschuift naar Petegem... naar Astene... naar de woonwijken rond de stadsboulevard... hebben we het probleem dan opgelost? Of hebben we het verplaatst?

Dat is volgens mij één van de belangrijkste vragen die het openbaar onderzoek nog moet beantwoorden.

Want uiteindelijk willen we allemaal hetzelfde. Een leefbare stad. Maar ook leefbare woonwijken. En precies daarom vind ik dat de missing link eerst volledig onderzocht moet worden.

Ik wil afsluiten met het vierde beleidskader.

Dat over de bedrijventerreinen. 

Ook daar zie ik veel goede intenties. Het beleidsplan erkent dat ruimte schaars wordt. Dat nieuwe bedrijventerreinen niet zomaar meer kunnen worden ontwikkeld.

Dat bestaande ruimte efficiënter moet worden gebruikt. Dat verweving van wonen en werken op bepaalde plaatsen kansen biedt. Dat zijn logische uitgangspunten. 
Maar opnieuw stel ik mij dezelfde vraag. Niet of de ambitie juist is. Wel hoe we ze straks in de praktijk zullen realiseren.

Een schrijnwerker, een loodgieter, een dakwerker, een installateur, een kleine
producent, … Dat zijn geen burelen. Dat zijn ondernemingen met personeel, bestelwagens, leveringen, opslag en klanten. Ook zij hebben nood aan een vlotte bereikbaarheid. Ook zij verliezen tijd wanneer ze elke dag in de file staan. En precies daar zie ik opnieuw dezelfde spanning terugkeren.

Enerzijds willen we de mobiliteit anders organiseren. Anderzijds verwachten we dat onze lokale economie blijft groeien. Die twee hoeven elkaar niet tegen te spreken. Maar dan moeten we wel tonen hoe we beide met elkaar verzoenen.

Ook de verwachtingen tegenover bedrijven liggen bijzonder hoog.
Ze moeten vergroenen. Ze moeten ontharden. Ze moeten water bufferen. Ze moeten energie delen. Ze moeten architecturaal kwaliteitsvol bouwen. Soms wordt zelfs gedacht aan dubbel ruimtegebruik of recreatieve functies.
Dat zijn allemaal waardevolle doelstellingen. Maar elke bijkomende verwachting betekent ook bijkomende investeringen.
En dus moeten we ook durven vragen:

Blijft Deinze op die manier aantrekkelijk voor ondernemers die hier willen investeren? Duurzaamheid en ondernemerschap mogen volgens mij geen tegenpolen worden. Ze moeten elkaar versterken.

 Collega's,

De voorbije weken heb we honderden pagina's gelezen.
De strategische visienota. De vier beleidskaders. De onderzoeksrapporten. De adviezen.

En hoe meer ik las... hoe meer ik eigenlijk tot één eenvoudige conclusie kwam.

De vraag vandaag is niet of dit een goed of een slecht beleidsplan is.
Daarvoor bevat het veel te veel waardevolle elementen.

De vraag is ook niet of wij voor of tegen verdichting zijn. Of voor of tegen de stadsboulevard. Of voor of tegen bijkomende woningen. Dat is voor mij niet de essentie.

De echte vraag is: Zijn de keuzes die vandaag gemaakt worden voldoende onderbouwd om de ruimtelijke ontwikkeling van Deinze voor de komende dertig jaar vast te leggen?

En op die vraag antwoorden we vandaag eerlijk: We zijn daar nog niet volledig van overtuigd. We delen veel van de ambities die in dit plan staan.
Zuinig omgaan met open ruimte, leefbare buurten, sterke dorpen. Een aantrekkelijke stad, een duurzame economie. Dat zijn doelstellingen waar ook wij ons achter kunnen scharen.

Maar tussen ambitie en uitvoering ligt nog een belangrijke stap.
We blijven vandaag met vragen zitten over de uiteindelijke wooncapaciteit.

Over de ruimtebalans. Over de rol van de stadsboulevard. Over de missing link.

Over de mobiliteitsimpact. Over de manier waarop economische ontwikkeling en leefbaarheid elkaar zullen versterken.

En net omdat dit beleidsplan zo belangrijk is, vind ik dat we die vragen ernstig moeten nemen.

Ik wil daarom ook eindigen zoals ik begonnen ben. Met waardering.

Ik wil de stadsdiensten en iedereen die aan dit beleidsplan heeft gewerkt oprecht bedanken. Dit is geen gemakkelijk dossier. Integendeel. Het getuigt van visie en van veel studiewerk. Maar een beleidsplan ruimte is nooit af wanneer het aan de gemeenteraad wordt voorgelegd.

Het moet ook de toets van de samenleving doorstaan.

Daarom ben ik tevreden dat er opnieuw sessies georganiseerd worden tijdens het openbaar onderzoek.
Ik hoop alleen dat die infosessies meer worden dan een toelichting. Ik hoop dat ze uitgroeien tot een echt gesprek. Met inwoners. Met ondernemers. Met landbouwers. Met adviesraden.  Met verenigingen.

En vooral... dat de opmerkingen die daar worden gemaakt ook effectief leiden tot betere keuzes. Want daarvoor moet het dienen: niet om een ontwerpplan te bevestigen. Maar om een plan te verbeteren. 

Voorzitter, collega's,

Een beleidsplan ruimte is misschien wel het meest duurzame document dat een gemeenteraad kan goedkeuren. Niet omdat het zolang meegaat. Maar omdat de gevolgen ervan zolang blijven bestaan.

De keuzes die wij vandaag maken, bepalen mee hoe onze kinderen en kleinkinderen later zullen wonen, werken en zich verplaatsen.

Juist daarom moeten we ambitie tonen. Maar evenzeer voorzichtigheid.Maar ook bereid zijn om bij te sturen wanneer de onderbouwing daarom vraagt.

Vandaag gaan we ons op dit voorontwerp onthouden. 

Omdat we nog onvoldoende voelen dat hoog gegrepen wensdromen van de ideale stad en de realiteit van de haalbare stad haalbaar voor zijn bewoners, voor zijn bedrijven, voor zijn ondernemers, voor zijn bestuurders.

Concreet voorbeeld: van de 15 minuten stad, wat voor Deinze een onrealistisch concept is uit de theorieboeken, naar een multimodaal bereikbare stad, ook voor de auto. 

We kijken uit naar de insteek van de Deinzenaren.

Wanneer die zinvol verwerkt in de eindversie van dit plan, dan zal een mooi evenwicht ontstaan en een gedragen plan, dat dan wel op onze stem zal mogen rekenen.